Jonge gezinnen verlaten vaker de grote stad, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek onlangs. De werkelijkheid blijkt genuanceerder, want nog steeds willen veel gezinnen dolgraag in de stad wonen. Welke gezinnen kiezen voor de stad en hoe willen zij wonen? En zijn de steden daar wel op berekend?
Jonge gezinnen verlaten vaker de grote stad, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek onlangs. De werkelijkheid blijkt genuanceerder, want nog steeds willen veel gezinnen dolgraag in de stad wonen. Welke gezinnen kiezen voor de stad en hoe willen zij wonen? En zijn de steden daar wel op berekend?
Jan Latten, hoogleraar sociale demografie aan de Universiteit van Amsterdam en hoofddemograaf bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), relativeert eigenlijk meteen de resultaten van het onderzoek van het statistiekbureau: het klopt inderdaad dat de vier grote steden meer gezinnen zien vertrekken. In 2014 en 2015 verruilde een op de tien gezinnen Amsterdam voor een nabij gelegen gemeente. In 2012 was dit nog minder dan zes procent. Maar dit rechtvaardigt niet de conclusie dat jonge gezinnen massaal de stad verlaten. “Er blijven veel gezinnen wél in de stad. De cijfers zijn vooral beïnvloed door een inhaalvraag die de afgelopen twee jaar is verwezenlijkt. Gezinnen die wel wilden verhuizen, maar tijdens de crisis niet durfden, hebben op het juiste moment gewacht”, zegt Latten.
Lia Karsten, associate professor stadsgeografie aan de Universiteit van Amsterdam, bevestigt deze lezing. “De jonge gezinnen die de steden nu verlaten, zijn geen overtuigde stadsbewoners, maar mensen die een financiële klapper wilden maken door hun tweekamerappartement op een goed moment te verkopen. De prijzen zijn immers de afgelopen tijd sterk gestegen.” Karsten benadrukt dat de groei van het aantal stadsgezinnen weliswaar afvlakt, maar dat er nog steeds sprake is van groei. “Voor de komende tien jaar verwacht Amsterdam bijvoorbeeld een toename van 4,9 procent van het aantal basisschoolleerlingen. Ruim drieduizend kinderen erbij; dat zijn heel wat klassen.”
Hoogopgeleide tweeverdieners
De groei van het aantal gezinnen in de stad wordt niet gevoed door migrantengezinnen, wat vaak het heersende beeld is, maar door een nieuw type stedelijke middenklasse. Vaak gaat het om hoogopgeleide ouders, tweeverdieners: young urban professional parents. Karsten: “Deze mensen kiezen bewust voor de stad. Zij zoeken ‘stedelijkheid in de luwte’: rust voor de deur, maar reuring om de hoek. Beide ouders werken vaak in de stad en willen dat huis, crèche en werkplek zich op fietsafstand van elkaar bevinden. Daarbij zijn ze gehecht geraakt aan de stedelijke levensstijl. In die zin is het ook een kwestie van identititeit. Niet voor niets was het voor veel gezinnen die naar IJburg verhuisden zo belangrijk dat ze formeel Amsterdammer bleven.”
Latten: “Urban families hechten vooral waarde aan voorzieningen in de nabijheid: cultuur, kinderopvang, horeca, openbaar vervoer, infrastructuur. Dat is bijna nog belangrijker dan de plaats waar ze werken. Een heel aantal werkt overigens als zzp’er, en kan dus overal werken.”
Transformatie
Steden veranderen door de aanwezigheid van kinderen. Omdat stadsgezinnen vaak geen tuin hebben, groeit het gebruik van parken bijvoorbeeld spectaculair. Daarnaast is in de vier grote steden een bloeiende culturele jeugdsector ontstaan: onder meer bibliotheken, schouwburgen en boekwinkels bieden allerlei activiteiten voor kinderen aan. Ook het aanbod van winkels en horeca transformeert. Denk bijvoorbeeld aan cafés en restaurants met speelplekken en kinderstoelen, ruimte voor kinderwagens en een kindvriendelijk menu.
Het belang van voldoende kinderen in een stad is onmiskenbaar, aldus Karsten. “Diversiteit is hét kenmerk van stedelijkheid. Dan gaat het niet alleen om etniciteit, maar ook om leeftijd. Een stad is niet compleet als er alleen maar studerende en werkende twintigers wonen. Het is ook belangrijk dat er mensen in een stad wonen die er hun jeugd hebben doorgebracht, en daar goede herinneringen aan hebben. Dat zorgt voor een collectief geheugen.”
Huis met tuin
In Nederland hebben veel mensen met kinderen een sterke voorkeur voor een huis met een tuin. De wat traditioneler ingestelde stadsgezinnen verhuizen dus naar kleinere gemeenten, waar ze een betaalbaar huis met een tuin kunnen vinden. “Nederlanders zijn gewend om ruim te wonen. De gemiddelde oppervlakte van de woningen die wij beheren, is 119 vierkante meter. Buitenlanders zijn daar vaak verbaasd over. In Almere realiseren wij met DUIN nu een groot project met zowel grondgebonden woningen als appartementen. 85 procent van de gezinnen die daar gaat wonen, komt uit Amsterdam en het Gooi”, zegt Wienke Bodewes, directeur van Amvest, fondsmanager van woningbeleggingsfondsen en ontwikkelaar van woningen, zorgvastgoed en woongebieden.
Opvallend is dat de stadsgezinnen die de stad verlaten om groter te gaan wonen, wel in de buurt blijven. Vier van de vijf gezinnen die vertrekken uit Rotterdam en Den Haag, blijven in Zuid-Holland wonen. Ook in Utrecht zoeken drie op de vijf gezinnen in dezelfde provincie naar een woning. Amsterdamse gezinnen wijken uit naar Amstelveen, Haarlem, het Gooi, Almere en Zaanstad. Latten: “De meeste jongeren die voor hun studie verhuizen van het platteland naar de stad, verhuizen als ze kinderen krijgen niet terug naar hun geboortestreek, maar naar een kleine randgemeente.”
Atypisch
Het moderne stadsgezin daarentegen is atypisch in zijn woonwensen. Karsten: “Vroeger was het gebruikelijk dat gezinnen die het zich konden veroorloven, per definitie uit de stad vertrokken. Maar de laatste twintig jaar zie je dat niet voor alle gezinnen het huis, tuin- en keukenideaal in kleinere gemeenten even aantrekkelijk is. Er heeft een differentiatie in woonwensen plaatsgevonden. Er is een groep die bewust kiest voor een leven met kinderen in de stad. Voor hen is oppervlakte minder belangrijk dan goede buitenruimtes, voorzieningen in de buurt en brede stoepen.” Latten: “Het gaat voor deze mensen niet primair om ruimte, maar om woonkwaliteit in het algemeen – en dat vinden ze in de stad.”
Hetzelfde blijkt uit onderzoek van BNA, de branchevereniging van architectenbureaus. Een paar jaar geleden interviewde BNA gezinnen in de stad over hun woonwensen. Met stip op één stond: flexibiliteit in de indeling – meer dan veel vierkante meters. “Denk aan meegroeiwoningen, waarin de slaapkamers op termijn wegvallen of zijn om te vormen tot een ander soort ruimte. Ook bergruimte – slimme kastenmodules, handige plekken voor bakfiets, kinderfietsjes en kinderwagen – is heel belangrijk. Mensen willen namelijk niet in de troep wonen. Daarnaast hechten gezinnen veel waarde aan speelplaatsen en groen in de buurt. En aan een soort overgangsruimte naar buiten, waar kinderen veilig kunnen spelen. Mooie brede stoepen bijvoorbeeld”, zegt Fred Schoorl, directeur van BNA.
Lange termijn
Feit is dat er in de steden onvoldoende geschikte woningen voor gezinnen zijn. “De steden lopen over en de woningprijzen stijgen navenant. Amsterdam spant wat dat betreft natuurlijk de kroon. Daar is een permanente strijd gaande: bouwen we meer sociale huurwoningen of vrije sector- en koopwoningen?”, zegt Latten (CBS). Karsten (UvA): “De stadsbesturen moeten meer bouwen voor gezinnen. De gemakkelijkste en snelste oplossing is om alleen maar studiootjes te bouwen, want die verkopen toch wel. Maar op de lange termijn is dat niet verstandig.” Het is vanwege de hoge grondprijzen echter een utopie om grote aantallen eengezinswoningen in de steden te bouwen, aldus Bodewes (Amvest). “Het is onmogelijk om grondgebonden te bouwen in de steden zonder enorme grondkostensubsidies van de overheid. Gezinnen die per se in de stad willen wonen, moeten dus genoegen nemen met minder vierkante meters. Klein en compact wonen, appartementen met een uitgekiende indeling: dan is het nog betaalbaar. Mensen die vinden dat de voordelen van de stad niet opwegen tegen de huur of koopsom die ze moeten betalen, zijn genoodzaakt uit te wijken naar kleinere gemeenten. Alles wat je doet om deze beweging tegen te gaan, is marktcontrair – en kost dus in feite geld.”
Gezinsappartementen
Volgens Schoorl (BNA) is het vooral zaak om anders te gaan bouwen. “Juist het gesprek met gezinnen levert slimme ontwerpoplossingen op. Architecten doen dat steeds meer en beter. Gezinnen hoeven lang niet altijd in een eengezinswoning te wonen; het gezinsappartement is aan een opmars bezig. Dan moet je niet denken aan grote, open lofts, maar aan appartementen met meer afgescheiden ruimtes. Woongebouw Piraeus van Hans Kollhoff op het KNSM-eiland is een goed voorbeeld. Helaas worden de inzichten uit ons onderzoek nog lang niet altijd toegepast in de praktijk. Woningcorporaties bijvoorbeeld die nieuwe woningen gaan bouwen, grijpen toch vaak terug op oude concepten. Er zijn dus nog wel wat stappen te zetten.”
Een veelgehoorde klacht is ook het tekort aan middeldure huurwoningen in de steden. Ook dit probleem is het meest prangend in Amsterdam. Bodewes: “De gemiddelde huur van de 22.000 woningen die wij in beheer hebben, ligt onder de 1.000 euro. In Amsterdam is het aandeel huurwoningen in die prijscategorie het kleinste. Het probleem is daar dat de sociale woningvoorraad onevenredig groot is. Het zou goed zijn als de woningcorporaties het gedeelte van hun woningen dat qua punten boven de liberalisatiegrens uitkomt – en dat zijn er heel wat! – doorschoven naar particuliere verhuurders. Het geld dat daarmee vrijkomt, kunnen ze dan weer investeren in huurwoningen die beter geschikt zijn voor de doelgroep. Zo komt er meer balans in de woningvoorraad.”
Gemeentegrenzen
Een andere oplossing is om de stadsgrenzen op te rekken. Als het niet lukt om al die gezinnen te huisvesten binnen de huidige oppervlakte, moeten we de stad maar groter maken – dat idee. Latten: “Wat is precies de stad? Bestuurders denken dan aan gemeentegrenzen, maar gewone mensen vaak helemaal niet. Die vinden het prima om in Amsterdam te werken en in Hoofddorp te wonen – en ervaren dat dan als één regio. In de hele wereld is de ontwikkeling gaande dat het platteland leegloopt, en de steden en de aanpalende regio groeien.” Bodewes: “Het is gek om de stad te laten ophouden bij de stadsgrenzen. Waarom is bijvoorbeeld Purmerend geen Amsterdam meer? Kijk eens welke oppervlaktes steden als Londen en Berlijn bestrijken.”
Het ideale gezinsappartement
Naast het bekende ‘huis met een tuintje’ zoeken gezinnen naar een ander soort woning: het gezinsappartement. Een flexibel in te richten appartement, al dan niet met collectieve (buiten)ruimtes, dichtbij stedelijke voorzieningen. Hoe ziet het ideale gezinsappartement eruit? Om daarachter te komen, heeft de gemeente Rotterdam in oktober vorig jaar in samenwerking met Stichting Architectuur Lokaal de prijsvraag ‘Open oproep Gezinsappartementen’ uitgeschreven. Rotterdam wil namelijk voorkomen dat gezinnen uit de stad vertrekken omdat ze er geen geschikte woning kunnen vinden. Gezinnen hebben volgens het stadsbestuur een belangrijke invloed op de economie en sociale netwerken in de stad.
De prijsvraag, die is bedoeld voor architecten, bouwbedrijven, projectontwikkelaars en particulieren, bestaat uit twee rondes. Voor de eerste ronde registreerden zich 347 belangstellen; uiteindelijk zonden 149 teams een visie in op gestapelde gezinswoningen in de stad. Het ideale gezinsappartement beschikt volgens een van de teams bijvoorbeeld over meerdere gelijkwaardige ruimtes – en niet één grote woonkamer met piepkleine slaapkamers. Andere deelnemers noemden een gesloten collectieve buitenruimte en een privé-terras als belangrijke onderdelen.
De jury, onder leiding van de directeur Binnenstad en Stedelijke kwaliteit van de gemeente Rotterdam, heeft uit alle inzendingen vijf visies geselecteerd. In de tweede ronde werken deze vijf teams hun visie uit tot een concreet voorstel. In oktober maakt de gemeente de winnaars bekend. De prijs: een kavel in de Rotterdamse wijk Delfshaven, waar zij hun project daadwerkelijk mogen realiseren.







