zondag, april 26, 2026
More
    HomeDossiersJuridische zaken en regelgevingNiet langer tussen het wal en het schip…

    Niet langer tussen het wal en het schip…

    - Advertisement -

    De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en de Minister van Wonen en Rijksdienst hebben niet stil gezeten tijdens het zomerreces en een concept wetsvoorstel ter consultatie gelegd. De wet heeft de bedoeling huurders van ligplaatsen een gelijkwaardige huurbescherming toe te kennen als aan huurders van woningen op de wal[1], daarbij rekening houdende met de publieke belangen die spelen bij wonen op water. De consultatie is geopend tot en met 28 oktober 2016. Een korte samenvatting:

    De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en de Minister van Wonen en Rijksdienst hebben niet stil gezeten tijdens het zomerreces en een concept wetsvoorstel ter consultatie gelegd. De wet heeft de bedoeling huurders van ligplaatsen een gelijkwaardige huurbescherming toe te kennen als aan huurders van woningen op de wal[1], daarbij rekening houdende met de publieke belangen die spelen bij wonen op water. De consultatie is geopend tot en met 28 oktober 2016. Een korte samenvatting:

    Woonruimte

    In het huurrecht wordt op dit moment het begrip woonruimte in artikel 7:233 BW gedefinieerd als: ‘(…) een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige dan wel niet zelfstandige woning is verhuurd, dan wel een woonwagen of een standplaats, alsmede de onroerende aanhorigheden.

    Onroerend

    Met deze definitie is er geen twijfel over de toepasselijkheid van het woonruimte huurrecht bij woningen (van steen), maar zijn er diverse twijfelgevallen zoals portacabins, woonschepen en watervilla’s. In de rechtspraak wordt momenteel aangesloten bij het begrip ‘onroerend’ als bedoeld in artikel 3:3 BW. Kwalificeert een zaak niet als onroerend, dan is er geen huurbescherming. Dat is anders voor een huurder van een woonwagen (of standplaats) aangezien de wetgever deze huurder expliciet bescherming heeft toegekend.

    Ligplaats

    Artikel 7:233 BW wordt aangevuld met het begrip ‘ligplaats’. Hieronder wordt verstaan (artikel 7:236a BW): ‘(…) een plaats in het water, bestemd om te worden ingenomen door een drijvend object dat wordt gebruikt voor permanente bewoning[2] en waar voorzieningen aanwezig zijn om dat drijvende object af te meren, alsmede voorzieningen die op het leidingnet van de openbare nutsvoorzieningen, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten. Deze definitie veronderstelt dus dat de huurder eigenaar is van de woonboot die gebruik zal maken van de ligplaats.

    Onderafdeling 2

    Onderafdeling 2 (huurprijzen en andere vergoedingen) is niet van toepassing op ligplaatsen, behoudens artikel 7:251 (jaarlijkse huurverhoging), 7:261 lid 1 (voorschot servicekosten) en 7:264 (onredelijk voordeel). Toetsing van de aanvangshuurprijs (artikel 7:249 BW) is niet mogelijk.

    Meer rechtszekerheid

    Verder wordt een extra opzeggingsgrond toegevoegd aan artikel 7:274 BW, namelijk strijd met enig publiekrechtelijk voorschrift. Ten slotte zal ook artikel 7:226 BW (‘koop breekt geen huur’) van dwingend recht zijn voor eigenaren van ligplaatsen. Voor lopende huurovereenkomsten gaan de nieuwe regels gelden twee kalenderjaren na inwerkingtreding. Ondanks dat bij enkele keuzes vraagtekens kunnen worden gezet (zie de onderstrepingen), biedt het wetsvoorstel ‘waterhuurders’ meer rechtszekerheid.

    [1] https://www.internetconsultatie.nl/wetverbeterenhuurbeschermingvoorhuurdersvanligplaatsen, geraadpleegd 31 augustus 2016.

    [2] De bewoner bezigt de woonboot als zijn hoofdverblijf.

     

    - Advertisement -